advertentie

Hoe zit dat nu eigenlijk?

De implantaatconnectie

Auteur: Frank Andriessen en David Rijkens  |  Publicatie: 02 DECEMBER 2017  |  Categorie: IMPLANTOLOGIE


In deze editie van ‘Vast en Zeker’ behandelen we de meest voorkomende type implantaat - abutment connecties welke je tegen kunt komen in de dagelijkse praktijk. Uiteraard gaan we in op herkenningspunten en op de voor- en nadelen per type.

De tandarts en de implantoloog zijn veelal gewend te werken met een eenzelfde type implantaatsysteem waarvan ze al snel alle ins en outs kennen. Door het komen en gaan van vele implantaatsystemen en verschillende type implantaatconnecties in de afgelopen jaren zal het vaker voorkomen dat er gewerkt moet worden met een onbekend systeem of connectie. Bijvoorbeeld wanneer een oude kroon dient te worden vervangen. Enige kennis van de verschillende type implantaatconnecties uit het verleden en van het heden is dan ook noodzakelijk om zelfverzekerd aan de slag te gaan met dergelijke, vaak tijdrovende, klusjes.

De Microgap

De connectie tussen het implantaat en de suprastructuur is een belangrijk onderdeel van een implantaat. Tussen deze twee verschillende onderdelen zit een randspleet, ook wel de ‘microgap’ genoemd. In deze microgap kunnen bacteriën bewegen en kan zich een bacteriële plaquelaag vormen, welke kan leiden tot botverlies.1, 2, 3 In de beginjaren van de implantologie werd veel gewerkt met systemen waarbij de verbinding tussen de kroon het implantaat zich op tandvleesniveau bevond. Men spreekt dan over zogenaamde tissue-level implantaten (afbeelding 1).

Om voornamelijk esthetische redenen zien we de afgelopen decennia een forse toename van het gebruik van implantaten die eindigen op botniveau. Deze hebben het voordeel dat er meer verticale ruimte is om direct vanaf het botniveau de ideale individuele vormgeving te kunnen creëren met een abutment. Een nadeel van deze systemen is dat de microgap zich dicht bij het bot bevindt. Implantaatsystemen doen er dan ook alles aan om deze gap zo klein mogelijk te houden door het creëren van een goed afsluitende implantaat-abutment connectie. Daarbij wordt geprobeerd de microgap weg te houden van het bot. Het horizontaal verleggen van de microgap door toepassing van een ‘platform switch’ is inmiddels voor de meeste systemen die op botniveau werken gemeengoed geworden (afbeelding 2).

Welke soorten connecties bestaan er?

Er bestaan grofweg 4 verschillende soorten implantaat-suprastructuur connectietypes.

1. De externe connectie

2. De interne ‘tube-in-tube connectie’

3. De interne conische connectie

4. Het one-piece implantaat

1. De externe connectie

Een bekende connectie is de zogenaamde externe connectie. Dit type connectie werd al gebruikt bij de oudste en meest geplaatste type implantaten, de zogenaamde Branemark-implantaten (afbeelding 3).

Momenteel wordt de externe connectie niet veel meer gebruikt. Door veelvuldig gebruik van systemen met een externe connectie in het verleden zal men dit type nog veel tegenkomen in de dagelijkse praktijk. Bij een externe connectie valt de suprastructuur over de connectie en dus over het implantaat heen. De connectie is doorgaans relatief klein, waardoor relatief veel krachten op de abutmentschroef ontstaan (afbeelding 4).

Een groot voordeel van deze connectie is dat ook als implantaten geanguleerd staan ten opzichte van elkaar er toch een goed passende brug op de implantaten vervaardigd kan worden. De nadelen van de externe connectie is de relatief grotere rand­spleet die aanwezig is (met een groter risico op biologische complicaties, zoals botverlies) en de grotere krachten die op het schroefje komen met een groter risico op mechanische complicaties (afbeelding 5).

Tevens kan het soms lastig zijn om een afdrukstift te plaatsen als een implantaat met externe connectie diep onder het tandvlees wordt geplaatst. Daarom is het altijd aan te bevelen om een controle röntgenfoto te maken nadat de afdrukstift op een dergelijk implantaat is geplaatst (afbeelding 6). Op deze röntgenfoto kan immers gecontroleerd worden of de afdrukstift goed aansluit op het implantaat.

Afbeelding 1

Bone-level implantaat (links) en een tissue-level implantaat (rechts)

Afbeelding 2

Bone-level implantaat met een abutment met platform-switch: Het abutment is smaller dan het implantaatplatform waardoor er een stepje ontstaat tussen het implantaat en het abutment. De microgap ligt daardoor verder naar ‘binnen’ en dus verder van het bot af.

Afbeelding 3

Branemark implantaat met externe connectie.

Afbeelding 4

Foto van een implantaat met externe connectie. Duidelijk zichtbaar is dat de meeste krachten op het schroefje komen.

Afbeelding 5

Afgebroken abutmentschroef in een implantaat met externe connectie.

Afbeelding 6

Röntgenfoto ter controle of de afdrukstift goed geplaatst is op het implantaat.

2. De interne rechte ‘tube-in-tube’ connectie

Bij een interne rechte connectie valt het abutment ‘in’ het implantaat. Het voordeel is dat het implantaat zelf nu al weerstand geeft aan het abutment en niet alle krachten op het schroefje en de implantaatschouder (zoals bij een externe hex) terechtkomen. De onderdelen vallen precies in elkaar hetgeen een rigide connectie geeft (afbeelding 7 en 8). Toch zitten er ook nadelen aan de tube-in-tube connectie; de microgap is relatief groot, net zoals bij de externe connectie het geval is.4

Daarbij is het niet mogelijk om een verschroefde constructie direct op deze implantaten te vervaardigen. Tussenabutments zijn dan noodzakelijk (afbeelding 9).

3. De interne conische connectie

Een implantaat met een conische connectie heeft wederom een interne connectie. Het abutment is in dit geval niet recht maar ‘conisch’ (afbeeldingen 10 en 11). Deze connectie kenmerkt zich door zijn stabiliteit en een aanmerkelijk kleinere microgap.5

De coniciteit (het aantal graden) van de connectie verschilt per implantaatsysteem. De meest stabiele coniciteit is de zogenaamde Morse taper connectie. De Morse taper connectie, ontworpen in 1864 door Stephen A. Morse, wordt wereldwijd gebruikt in bijvoorbeeld de vliegtuigindustrie als zeer sterke connectie tussen losse onderdelen noodzakelijk is. Door de parallelliteit tussen de wanden van het abutment en het implantaat ontstaat een zogenaamde ‘koudlas’, hetgeen wil zeggen dat de onderdelen aan elkaar houvast vinden. Dit is merkbaar als een abutment met een Morse taper connectie losgehaald moet worden van het abutment. Nadat de abutmentschroef losgedraaid is, blijft het abutment meestal vastzitten in het abutment. Een kroonafneemtang, of speciale instrumenten zijn nodig om het abutment te verwijderen. Veelal is het laten ‘schrikken’ door het geven van een klein tikje op de griptang welke het abutment omvat voldoende om de ‘koudlas’ te verbreken na het verwijderen van de abutmentschroef.

Een echte Morse taper is 3 graden. Omdat de componenten bij een dergelijke coniciteit zo strak in elkaar komen te zitten hebben verschillende implantaatmerken voor andere minder conische connecties gekozen. Er zit dan ook verschil in de effectiviteit van de verschillende soorten conische connecties.6, 7

 

Afbeelding 7

Afbeelding 7 en 8. Twee verschillende merken implantaten met beide een (verschillende) rechte interne connectie.

Afbeelding 8

Afbeelding 7 en 8. Twee verschillende merken implantaten met beide een (verschillende) rechte interne connectie.

Afbeelding 9

Doordat beide implantaten niet perfect recht staan zijn tussenabutments nodig om een verschroefde brug te kunnen vervaardigen.

Afbeelding 10

Afbeelding 10 en 11. Twee verschillende merken implantaten met beide een (verschillende) conische interne connectie.

Afbeelding 11

Afbeelding 10 en 11. Twee verschillende merken implantaten met beide een (verschillende) conische interne connectie.

Afbeelding 12

Zirconium one-piece implantaat: het abutment is een geheel met het implantaat.

4. One piece implantaat

Tot slot bestaan er implantaten waarbij het abutment een geheel is met het implantaat, de zogenaamde one piece implantaten (afbeelding 12). Er is dan feitelijk geen sprake van een connectie. De one-piece implantaten worden met name gebruikt bij zeer smalle of kwetsbaardere implantaten zoals die van zirconium. Het nadeel is dat er op dergelijke implantaten geen (individueel ontworpen) verschroefde constructies vervaardigd kunnen worden. Daarbij is de vorm van het abutmentgedeelte van het implantaat niet altijd direct geschikt voor de kroon, waardoor deze beslepen dient te worden. Tot slot ligt ook de outline altijd op een vaste positie waardoor een risico ontstaat dat de outline te subgingivaal komt te liggen. Cementresten kunnen dan gemakkelijk achterblijven met alle risico’s van dien.

Conclusie

Elke implantaat connectie heeft zijn eigen specifieke kenmerken. Tegenwoordig gebruiken de meeste implantaatmerken interne conische connecties door de mechanisch sterke en stabiele en veelal goed afsluitende connectie. De graden coniciteit verschilt per fabrikant. Rekening dient te worden gehouden met het feit dat een implantaatkroon/abutment soms lastiger te verwijderen is als er sprake is van een conische connectie. Bij twijfel is het altijd raadzaam contact op te nemen met een implantoloog die ervaring heeft in het werken met afwijkende systemen en connecties.

Literatuur

1. Tallarico M1, Canullo L2, Caneva M3, Özcan M4.

Microbial colonization at the implant-abutment interface and its possible influence on periimplantitis: A systematic review and meta-analysis. J Prosthodont Res. 2017 Jul;61(3):233-241

2. Cosyn J, Van Aelst L, Collaert B, Persson GR, De Bruyn H. The peri-implant sulcus compared with internal implant and suprastructure components: a microbiological analysis. Clin Implant Dent Relat Res. 2011 Dec;13(4):286-95.

3. Sunil Kumar Mishra, Ramesh Chowdhary, and Shail Kumari

Microleakage at the Different Implant Abutment Interface: A Systematic Review. J Clin Diagn Res. 2017 Jun; 11(6)

4. Tesmer M1, Wallet S, Koutouzis T, Lundgren T. Bacterial colonization of the dental implant fixture-abutment interface: an in vitro study. J Periodontol. 2009 Dec;80(12):1991-7.

5. Schmitt CM, Nogueira-Filho G, Tenenbaum HC, Lai JY, Brito C, Döring H, Nonhoff J. Performance of conical abutment (Morse Taper) connection implants: a systematic review. J Biomed Mater Res A. 2014 Feb;102(2):552-74.

6. Koutouzis T1, Wallet S, Calderon N, Lundgren T. Bacterial colonization of the implant-abutment interface using an in vitro dynamic loading model. J Periodontol. 2011 Apr;82(4):613-8.

7. Berberi A1, Tehini G1, Rifai K1, Bou Nasser Eddine F2, El Zein N2, Badran B2, Akl H2. In vitro evaluation of leakage at implant-abutment connection of three implant systems having the same prosthetic interface using rhodamine B. Int J Dent. 2014

Auteurs

Frank Andriessen is werkzaam als tandarts-implantoloog bij het Tandheelkundig Centrum Wilhelminapier (www.tand-implant.nl) te Rotterdam. David Rijkens is werkzaam als tandart-implantoloog bij Mondzorg Kudelstaart (www.mondzorgkudelstaart.nl). Zij zijn daarnaast beiden cursusleider en docent van de MasterClass Implantologie van het ACTA (http://www.acta-de.nl).

WEBDESIGN LEVIN DEN BOER | LDB PRODUCTION | COPYRIGHT © DENTISTA | 2019