In de voortdurend evoluerende wereld van de implantologie worden we regelmatig geconfronteerd met situaties waarin patiëntverwachtingen en klinische realiteit botsen. De moderne patiënt is mondiger dan ooit en wil vaak directe resultaten, terwijl wij als behandelaars moeten balanceren tussen biologische principes en haalbaarheid. Vaak gaat dat goed. Soms niet. Dit is het verhaal van een casus waarin ik een belangrijke les leerde—een fout die volledig te voorkomen was, maar me waardevolle inzichten gaf over stabiliteit, botgedrag en de valkuilen van immediaat belasten.
De aanleiding: waarom brak de kies?
De patiënt kwam bij mij in de praktijk met een afgebroken eerste premolaar 24. Op het eerste gezicht leek het een typische casus van structurele verzwakking, mogelijk door een oude restauratie of een occlusale overbelasting. Maar een nadere analyse toonde een veel fundamenteler probleem: er was geen hoektandgeleiding aanwezig.
Normaal gesproken neemt de cuspidaat de functie van disclusie over bij laterale bewegingen, waardoor premolaren en molaren worden ontzien van overmatige zijwaartse krachten. Bij deze patiënt functioneerde de eerste premolaar echter als een cani-ne, wat betekende dat hij continue laterale belasting kreeg waarvoor hij simpelweg niet ontworpen was. De breuk was dan ook geen toeval, maar een voor-spelbare mechanische uitkomst van een verkeerde krachtenverdeling.
In een ideale situatie zou ik eerst de occlusale verhoudingen corrigeren voordat ik een implantaat plaatste. Maar zoals vaak in de praktijk, had de patiënt een duidelijke wens: een snelle, vaste oplossing, zonder aanvullende restauratieve behandelingen zoals het herstellen van de hoektandgeleiding.
Op dat moment stond ik voor een dilemma: vasthouden aan het ideale behandelplan en de patiënt overtuigen van een meer uitgebreide oplossing, of meegaan in zijn wens voor snelheid en efficiëntie.
De implantaatplaatsing en de beslissende fout (afbeelding 1-13)
De extractie verliep voorspoedig, waarbij ik zoals al tijd probeerde de buccale botlamel intact te houden. Dit is cruciaal voor latere botbehoud en implantaatplaatsing. Na curettage en spoelen van de alveole beoordeelde ik de situatie opnieuw: de botcondities leken gunstig voor een immediaat implantaat.
Hier begon echter de cruciale fout in mijn klinisch besluitvormingsproces. In mijn streven naar maximale primaire stabiliteit – wetende dat immediaat belasten enkel mogelijk is bij hoge stabiliteit – onderprepareerde ik de osteotomie. Dit betekende dat ik een iets te smal implantaatbed creëerde, in de hoop dat het implantaat stevig in het bot verankerd zou worden.
Op papier leek dit een logische stap: het MegaGen AnyRidge-implantaat dat ik koos, gaf me een stabiliteit van 60Ncm—een cijfer dat vertrouwen gaf in immediaat belasten. Maar in mijn enthousiasme had ik onvoldoende rekening gehouden met de biologische gevolgen van overmatige compressie.
Door de te hoge druk op het omringende bot verminderde daarin de doorbloeding, wat leidde tot een verhoogd risico op botnecrose. Dit was geen fout van abutmentkeuze of occlusie; dit was puur het gevolg van mijn drang naar optimale stabiliteit en de wens om het implantaat direct te belasten, onder invloed van patiëntdruk.
Tijdens de behandeling leek alles goed te gaan. De patiënt verliet tevreden de praktijk met een direct belaste tijdelijke kroon. Maar zes weken later kwam zij terug.
Het kantelpunt: de patiënt komt terug (afbeelding 14-16)
De patiënt meldde zich opnieuw in de praktijk met klachten: pijn, zwelling en een duidelijke intraorale infectie. Bij inspectie zag ik direct een probleem – het ging om een klassiek beeld van peri-implantair botverlies met een abces. Dit patroon van botverlies en infectie spiegelde sterk de gevolgen van thermische trauma.
Op de röntgenfoto’s zag ik wat ik al vreesde: er was botresorptie rond het implantaat. De zachte weefsels waren ontstoken en het implantaat vertoonde tekenen van mobiliteit. Op dat moment wist ik precies wat er was misgegaan.
Dit was geen kwestie van een verkeerde occlusie of een slecht gekozen abutment. Dit was een puur biologisch probleem, veroorzaakt door mijn onderpreparatie van de osteotomie en de daarmee gepaard gaande botnecrose of compressie. Mijn streven naar immediaat belasten had me verblind, en ik had een fundamentele regel van de implantologie genegeerd: bot moet kunnen ademen. Op dat moment had ik geen andere keuze dan de situatie te herstellen.
Herstel: terug naar de basis (afbeelding 17-19)
De behandeling van dit mislukte implantaat volgde een stapsgewijze aanpak:
- Explantatie van het implantaat. Het implantaat werd voorzichtig verwijderd, waarbij ik probeerde zoveel mogelijk bot te behouden.
- Curettage en reiniging. De alveole werd intensief gecuretteerd en gespoeld tot er geen exsudaat meer aanwezig was. Met goede communicatie kon ik de patiënt overtuigen om 3 maanden later terug te komen voor de botopbouw, zodat we het beste fundament konden creëren voor een duurzame oplossing.
- Botopbouw met GBR. Ik koos voor een combinatie van allograft, xenograft en autograft om de botdeficiëntie aan te pakken. Dit mixen van bottypes creëerde een optimale omgeving voor regeneratie.
- Twee-fasen implantologie. Dit keer nam ik geen risico’s. In plaats van een immediaat implantaat koos ik voor een delayed plaatsing. Het bot kreeg eerst de tijd om te rijpen voordat ik een nieuw implantaat plaatste. Deze keer verliep de procedure zonder problemen. Het bot herstelde zich zoals verwacht en na enkele maanden kon ik een nieuw implantaat plaatsen, met een correcte osteotomie en zonder onnodige compressie.
Reflectie: wat ik heb geleerd
Wat deze casus mij vooral heeft geleerd, is hoe ge-vaarlijk het kan zijn om klinische beslissingen te laten beïnvloeden door patiëntdruk en een verlangen naar snelheid. Achteraf gezien waren er twee hoofdredenen voor het falen:
- Onderpreparatie van de osteotomie: mijn drang naar hoge primaire stabiliteit leidde tot te veel botcompressie, met necrose als gevolg.
- De wens om immediaat te belasten: dit was een klassiek geval van ‘Just because you can, doesn’t mean you should’. Ondanks de hoge primaire stabiliteit was de biologische situatie niet geschikt voor directe belasting.
Dit heeft me doen beseffen dat implantologie niet alleen draait om technische vaardigheden, maar ook om klinische discipline en geduld. Soms betekent het dat je een patiënt moet teleurstellen in zijn of haar verwachtingen om een lange termijn succes te garanderen.
Deze fout was te voorkomen, maar hij heeft me iets onbetaalbaars opgeleverd: een diepgaand begrip van botgedrag, compressielesies en het belang van luisteren naar wat de biologie je vertelt – niet alleen wat de patiënt wil horen. In de implantologie kunnen we veel herstellen, maar het beste implantaat is nog altijd datgene dat in de eerste poging correct wordt geplaatst.
Martin Grobler, Tandarts gespecialiseerd in orale chirurgie en Implantologie. Oprichter cursus Karma Blade chirurgie cursus (samen met Kees Heijdenrijk). Karma ambassadeur. Instructeur bij ABAS implant academy. Tandarts CBT Frisius MC (in opleiding voor tandarts-MFP). Eigenaar van tandartspraktijk Alldental Groningen.

